invoorzorg.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

Ondersteuning bij veranderingen in de langdurige zorg.

Van verzorgingsstaat naar participatiestaat

Gepubliceerd op: | Laatst gewijzigd op:

De langdurige zorg gaat ingrijpend veranderen. Staatssecretaris Martin van Rijn stelt dat de overheid dit proces zoveel mogelijk wil faciliteren, maar dat primair het veld zelf aan zet is. Careyn is er klaar voor, en wil graag een voorbeeldfunctie vervullen.

We moeten ophouden de langdurige zorg te zien als een probleem, vindt staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) Martin van Rijn. ‘Het is een sector waarop we internationaal gezien juist enorm trots mogen zijn, want we hebben die zorg in Nederland heel goed geregeld. Maar als we willen waarborgen dat dit ook in de toekomst zo blijft, dan moeten we wel nadenken over de vraag welk deel van die zorg we collectief willen blijven regelen en wat mensen zelf kunnen regelen en betalen.’

Van Rijn zei dit maandag 10 december 2012 tijdens het congres In voor zorg! Thuis. En zorgaanbieder Careyn, mede-organisator van dit congres, wil graag een voorbeeldfunctie vervullen in het veranderproces dat nodig is om de vernieuwing te bewerkstelligen die Van Rijn voor ogen staat. ‘Wij lopen vooruit op de kabinetsplannen’, zei Ton van Overbeek, bestuurder van Careyn. ‘We willen meer doen voor minder geld door zorg te substitueren. Bij de wijkraadplegingen die we geregeld doen, merken we dat mensen in de wijk elkaar nog niet zo goed weten te vinden. En dat is wel nodig om de beoogde omslag te maken van de verzorgingsstaat naar de participatiestaat. We leren dus op een nieuwe manier naar ons werk te kijken, door niet klakkeloos uit te gaan van de zorgvraag waarmee we worden geconfronteerd, maar door uit te gaan naar wat de cliënt zelf kan of wat diens directe omgeving kan regelen. Wat dan overblijft, is de zorg die wij bieden.’

Kleinschalig en wijkgericht

Het is niet de eerste organisatieverandering die Careyn doormaakt, zo bleek uit de woorden van wijkverpleegkundige Diana Plein. Zij vertelde dat de organisatie nu werkt volgens het model van Het Dorp: kleinschalig en wijkgericht. ‘Je probeert de zorg af te stemmen op wat de cliënt nodig heeft’, zei ze. ‘Maar ik herinner me ook nog heel goed hoe het in het verleden was. Toen was de arts onbereikbaar op momenten dat je zelf tijd had, en was je zelf in de wijk bezig op momenten dat hij wél bereikbaar was. Dan duurde het soms dagen voordat je antwoord kreeg op een dringende vraag, en in die tussentijd moest je wel wat doen met de patiënt over wie die vraag ging. Heel frustrerend. De artsen zagen onvoldoende wat wij als wijkverpleegkundigen konden betekenen voor die patiënten. Gelukkig is het proces nu anders ingericht: we hebben heel korte lijnen naar de huisarts en de apotheker, we hebben vaste overlegmomenten en we hebben inzage in het huisarts informatiesysteem. We kunnen meldingen achterlaten, waarop snel wordt gereageerd, of rechtstreeks een recept aanvragen.’

Het juiste uitgangspunt

Van Overbeek ziet dit als het juiste uitgangspunt om de verandering te bewerkstelligen die nu van de langdurige zorg wordt gevraagd. Want het ging de laatste jaren in toenemende mate niet goed in die zorg, constateerde hij. Hij was na een carrière bij Daf Trucks juist in de zorg gaan werken omdat hij iets voor mensen wilde betekenen, en ontdekte tot zijn schrik dat zijn werkomgeving steeds meer op die bij Daf Trucks ging lijken: steeds meer kwamen de regels centraal te staan in plaats van de cliënten. ‘De zorg verwerd tot een fabrieksmatig proces’, zei hij. ‘Er was geen basis van vertrouwen meer, dus ik ben heel blij dat we nu weer naar die basis aan het terugkeren zijn.’

Dat is precies wat Van Rijn ook wil. ‘Ik ben bang dat cliënten op een gegeven moment in een isolement geraken als we doorgaan op de ingeslagen weg’, zei hij. ‘Mensen leven steeds langer en de kosten van zorg lopen steeds verder op. Als die onder invloed van de huidige crisis op een bepaald moment niet meer op te brengen zijn, hebben we écht een probleem. Dat moeten we niet willen. We moeten dus snel de kanteling maken naar de menselijke maat en naar maatwerk in de zorg. Dat is de enige manier om ervoor te zorgen dat de ziel weer terugkeert in de zorg. Daarop mag ik als staatssecretaris ook afgerekend worden aan het einde van de kabinetsperiode.’

Integraal leren kijken

Van Rijn heeft een goede achtergrond om zijn huidige beleid vorm te geven. Hij was in het verleden directeur generaal gezondheidszorg bij het ministerie van VWS, vooral gericht op de curatieve zorg. ‘Ook een sector waarin patiënten met heel veel specialismen te maken kunnen krijgen’, vertelde hij. ‘Ook de behandelaars die hierin werkzaam zijn, moeten leren meer integraal te leren kijken naar de patiënt aan wie zij zorg verlenen. In de langdurige zorg is dit nog veel meer aan de orde, daar moet echt sprake zijn van maatwerk. Ik wil er dan ook eigenlijk vanaf te praten in termen van zorgzwaartepakketten (ZZP's), maar uit te gaan van wat mensen nodig hebben aan zorg en aan begeleiding vanuit de gemeente, en wat ze op basis van gerichte eigen regie kunnen bereiken.’

Van Rijn’s visie op hoe deze zorg dan moet worden georganiseerd in de toekomst, werd verder aangescherpt tijdens de jaren waarin hij bestuurder was bij pensioenfonds PGGM. Hier kwam hij tot de conclusie dat de pensioenvoorziening niet op zich moet staan, maar in relatie moet worden gebracht met wonen, de toekomstige zorgvraag en sparen voor zorg op de oude dag. ‘Dit is nodig om te waarborgen dat de langdurige zorg duurzaam blijft’, zei hij. ‘Het is ongemakkelijk dat we dit moeten doen in een situatie waarin we vanwege de crisis ook nog eens fors moeten bezuinigen op de overheidsuitgaven, maar ook zonder die crisis zou het nodig zijn om de kanteling tot stand te brengen waarbij de gemeenten een grotere rol krijgen omdat een deel van de zorg naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gaat en waarin mensen eraan moeten wennen dat ze meer zelf gaan doen.’

De rol van de gemeenten

Niet alleen van de zorgaanbieders, maar ook van de gemeenten wordt in dit proces veel gevraagd. De zorgaanbieders kunnen de gemeenten helpen in het overgangsproces naar de Wmo omdat zij de cliënten en hun vraag goed kennen. Maar de gemeenten kunnen de cliënten ook helpen, stelde Van Overbeek. ‘De gemeenten moeten hun burgers meer gaan aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid’, stelde hij. ‘In een één-op-één situatie tussen gemeente en individuele burger wordt dit een veel te omslachtig proces. Ik ben daarom sterk geporteerd voor de corporatiegedachte, waarbij de gemeenten de burgers collectief op die verantwoordelijkheid aanspreken.’

Voorkomen moet worden dat afstemmingsproblemen ontstaan, waarschuwde Plein. Degene die in het kader van de Wmo huishoudelijke verzorging komt bieden, is er niet op getraind signalen van het begin van een zorgvraag op te vangen. ‘Goede communicatie tussen gemeenten en zorgaanbieders is dus essentieel om te voorkomen dat mensen verstoken blijven van essentiële zorg’, stelde zij. Het veld moet dit in principe zelf doen, stelde Van Rijn, maar de overheid kan de veldpartijen wel faciliteren. ‘We doen dit bijvoorbeeld middels een bestuurlijke regiegroep waarin we de transitie op hoofdlijnen bijsturen als dat nodig is’, zei hij. ‘Verder komen we de zorgaanbieders tegemoet door via In voor zorg! best practices over het voetlicht te brengen, zodat partijen die van elkaar kunnen overnemen.

En iets soortgelijks gaan we ook voor de gemeenten doen, door wethouders bij elkaar te brengen zodat ze van elkaars best practices kunnen leren. We zijn al met de Vereniging Nederlandse Gemeenten in gesprek over de vormgeving van dit proces. Overigens met het nadrukkelijke uitgangspunt dat de gemeenten wel leren van elkaar, maar ook ruimte laten voor invulling op basis van de lokale situatie. Het moet maatwerk blijven.’ Verder wil Van Rijn in gesprek met de werkgevers om de mogelijkheden te verkennen in de collectie arbeidsovereenkomsten (CAO’s) meer ruimte te bieden aan mantelzorgers. ‘Als we de langdurige zorg meer samen moeten gaan regelen, wordt die mantelzorger alleen nog maar belangrijker dan die nu al is’, zei hij. ‘Dan moeten we de mantelzorger ook de ruimte geven om zijn werk te kunnen doen.’

Het veld aan zet

Maar, stelde Van Rijn, het veld zal het toch vooral zelf moeten doen. ‘Op rijksniveau kunnen we helpen door de zorg zoveel mogelijk regelarm te maken’, zei hij. ‘En ik wil het project regelarme instellingen dan ook graag doorzetten, om versnelling te brengen in wat we daarvan kunnen leren. Ook wil ik meer aandacht gaan besteden aan de huisvestingsproblematiek van de aanbieders in de langdurige zorg, want ik besef dat die gebouwen in de toekomst – voor zorg of voor andere functies – nodig blijven. Maar verder is de taak van de overheid toch vooral: ruimte geven aan het veld. Dit proces vraagt om innovatieve zorgaanbieders. Ik denk dat we als VWS dus eerder regels moeten afschaffen dan dat we nieuwe regels zullen gaan verzinnen.’

Verslag door Frank van Wijck.

Dossier(s)

In voor zorg-deelnemer

In voor zorg! is een programma van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en Vilans, Kenniscentrum voor langdurige zorg