invoorzorg.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

Ondersteuning bij veranderingen in de langdurige zorg.

‘Samen doen werkt’ - ook tijdens In voor zorg-congres

Gepubliceerd op: | Laatst gewijzigd op:

'Wij willen even controleren of u wel hart voor de zorg heeft.' Enkele cliënten van Dichterbij waren vandaag in functie als politieagent en hadden compleet met Bromsnor-snor de opdracht na te gaan of de juiste mensen bij de Oranjerie in Roermond naar binnen gingen. Daar kwamen 23 april 2012 ruim 400 zorgmedewerkers, managers, bestuurders en overige belangstellenden af op het congres ‘Samen doen werkt, van AWBZ naar Wmo’. Dit congres had In voor zorg! samen met Dichterbij georganiseerd. 

Aan het eind van het verslag vindt u een link naar de presentaties van het congres.

Baan veranderde haar leven

Interviewer Frénk van der Linden beet het spits van het congres af. Dit keer niet enkel als interviewer, maar ook als dwarsdenker die van publiek en podiumgasten wilde weten waar het in de praktijk nu allemaal heel concreet om gaat bij In voor zorg!, bij Dichterbij en vooral bij dat ‘samen doen’. Concreet zijn is lastig, zo bleek. Iedereen heeft zo z’n eigen taal als het om zorg gaat. Onder elkaar verstaan we elkaar wel, of denken we. Maar als een buitenstaander aandringt op duidelijkheid, kan het toch al snel wat lastiger worden en beginnen we soms te stamelen.

Cliënt Marij Pijnenburg, inmiddels bekend als Juf Marij, had er niet zoveel moeite mee. Ze vertelde Frénk van der Linden enthousiast over haar parttime baan als klassenassistent op een basisschool. ‘Ik begeleid jonge kindjes. Al 5 jaar dus hè’, benadrukte ze om aan te geven dat ze beslist geen eendagsvlieg is. De baan – een halve dag in de week – heeft haar leven veranderd. ‘Ik was depressief, werd veel te dik en had nergens zin in.’ En daarmee had Juf Marij in een klap ‘heel concreet en praktisch’ uitgelegd wat dat nou precies was, dat meedoen aan de samenleving en waarom dat zo goed is.
Thijs Rutten van PRISMA-Stichting Primair Onderwijs voegde nog iets toe aan die duidelijkheid: ‘Zorgorganisaties zouden minder moeten piekeren over rompslomp en over risico’s als een cliënt buiten de deur gaat werken. Stap gewoon een school binnen en vraag of ze hulp kunnen gebruiken. Zul je eens zien hoe makkelijk dat gaat.’

‘Het is vooral een kwestie van ruimte creëren’

Frénk van der Linden bleef als podium-interviewer enigszins argwanend: ‘Is toekomstbestendig maken niet gewoon een synoniem voor de broekriem aanhalen?’ ‘Zeker niet’, reageerde Kees van der Burg, Directeur Langdurige Zorg bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). ‘Het is vooral een kwestie van ruimte creëren. Welke regels zitten in de weg, zodat we makkelijker ons werk kunnen doen: dat is bijvoorbeeld een essentieel bestanddeel van het toekomstbestendig maken van de zorg.’

De VWS-directeur verwees graag naar zijn vroegere tante Janet in Werkendam: ‘Alles was destijds vanzelf geregeld. Je hielp elkaar. Dat zijn we afgeleerd. Dingen die normaal zijn, zijn we kwijtgeraakt.’ Maar tussen vanzelfsprekendheid van toen en de complexe samenleving van nu ligt een hele wereld. In voor zorg! weet die kloof met behoorlijk succes te dichten, maar Kees van der Burg weet ook dat het In voor zorg-beleid niet 100% perfect kan zijn. ‘Er vallen nog steeds mensen buiten de boot. Maar wat met In voor zorg! beoogd werd, werkt ook zo. Organisaties zijn overzichtelijker geworden. Cliënten voelen zich gehoord. De werkvloer heeft meer grip op het werk. Tegelijkertijd maak ik me zorgen over de mensen die we niet bereiken. Mensen die thuis zitten zonder mantelzorg, maar die wel hulp nodig hebben en die niet uit zichzelf aankloppen aan de deur van de gemeente. Dat kan beter.’

Kennis delen met gemeenten

Ondertussen zoemde het in de wandelgangen tijdens dit congres: hoever zijn jullie al met de gemeenten? En hoever zijn de gemeenten inmiddels met ons? Begrijpen gemeenten wel waar het over gaat? ‘De gemeente’ was 23 april 2012 een overheersend gespreksonderwerp tijdens koffie- en broodjespauzes.

Myrtille Timmers, beleidsadviseur bij de Provinciale Raad Gezondheidszorg Noord-Brabant: ‘Ik zie hier vandaag heel veel zorgaanbieders en nauwelijks vertegenwoordigers van gemeenten. Als ik naar een Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)-bijeenkomst ga, zie ik juist vooral gemeenten en heel weinig zorgaanbieders. Dat is toch gek voor een beleidsterrein waarbinnen 2 partners elkaar nodig hebben om er een succes van te maken.’

congresdeelnemers pratend in een groepje bijeen


Hoe moet je je opstellen in je contacten met gemeenten? ‘Dat je als zorgorganisatie zegt dat je de beste bent, is absoluut niet interessant’, zegt Cyril Laugs. Sinds kort is hij bij de stichting Radar arrangementenbegeleider die mensen met een verstandelijke beperking ondersteunt in Maastricht, Heuvelland en Parkstad. Tot voor kort was hij Wmo-ambtenaar in de gemeente Maasgouw. Hij kent dus beide zijden van de Wmo-medaille. Hij zegt: ‘Als gemeente krijg je zorgorganisaties over de vloer die je vertellen dat ze het beste aanbod hebben. Op dat soort geluiden zitten gemeenten niet te wachten. Het punt waar het allemaal om draait, is dat veel gemeenten zelf niet goed weten hoe de vork in de steel steekt. Daarom hebben ze behoefte aan meedenkers, aan partijen die bereid zijn kennis te delen met de gemeente. Dat is een andere opstelling.’

‘Er is zo veel mogelijk in nieuwe verhoudingen’

Toch blijft het lastig. Gemeenten leggen elk zo hun accenten in hun benadering van de Wmo. Marijke Löwenthal, hoofd dagactiviteitencentrum bij Lunet Zorg: ‘Wij merken dat elke gemeente een eigen koers vaart, zelfs als ze in een collectief zitten. Echt het slimste is het als je als zorgorganisatie een Wmo-coördinator aanstelt. Anders wordt het veel te complex om alle contacten goed te regelen.’

Lenard Markus, beleidsmedewerker bij ActiZ, twijfelt: ‘De verschillen tussen de gemeenten zijn nog fors. Ik zie nog veel losse eindjes. Ik houd m’n hart een beetje vast.’ Bernard de Vries Robles, manager cliëntservice en cliëntadministratie bij Dichterbij: ‘Ik zie goede ontwikkelingen. En toch, ik vind dat we elkaar nog veel meer moeten opzoeken. Er is zoveel mogelijk in de nieuwe verhoudingen. Zowel gemeenten als zorgaanbieders hebben daar niet echt een beeld bij - uitzonderingen daargelaten. We focussen ons nu massaal op de aanbesteding, Maar dat is een detail. Het gaat per saldo om nieuwe en blijvend andere verhoudingen.’

‘We spreken elkaars taal’

Jac Haenraets, manager dagbesteding bij Dichterbij, is het daar hartgrondig mee eens. Hij is vanuit Dichterbij de trekker van buurtwerkbedrijf Venlo Oost, sterk in het onderhoud en aanleg van wijkspeeltuinen en van kinderboerderijen. Jac Haenraets: ‘Dat buurtwerkbedrijf is niet iets exclusiefs van Dichterbij. Wij zijn een onderdeel van Venlodroom. We spreken elkaars taal.’

Venlodroom is het platform waarin zorgorganisaties, waaronder Dichterbij, de gemeente Venlo en het Univé, VGZ, IZA en Trias (UVIT)-zorgkantoor samenwerken in het leveren van wonen, welzijn en zorg. Maar ze doen meer. Ook het project gladheidbestrijding in Venlo-Oost en het project Burenhulp zit in het pakket van Venlodroom. Die gelijkwaardige samenwerking in gemeentelijk verband is de kurk waarop het nieuwe ‘meedoen’ voor cliënten van Dichterbij drijft.

Burgers volledig laten meedoen

De binding die gemeenten en zorgorganisaties met elkaar kunnen hebben, was ook een rode draad in de workshops tijdens dit congres. Dat bleek onder meer tijdens de workshop over de positie van de tientallen dagbestedingateliers. De meeste zijn onderdeel van een zorgorganisatie. De meerwaarde van de ateliers ligt in het Wmo-tijdperk vooral bij gemeenten die hun burgers volwaardig willen laten meedoen.

Een flard van de discussies tijdens deze zeer levendige workshop: ‘Ik kan me niet voorstellen dat een gemeente alleen maar naar het prijskaartje kijkt bij de contractering’, opperde een workshopdeelnemer. Thea de Waal, manager dagbesteding bij Amerpoort: ‘Dat doen ze ook niet. Maar als 3 ateliers met hetzelfde aanbod komen, gaan ze dat toch wel doen denk ik.’ Evelien Roos van Ateliers Abrona: ‘Precies. En daarom moeten ateliers in een regio sámen optrekken. Dan verdeel je het werk per wijk.’ Thea de Waal: ‘Maar als je ècht een talent in je atelier hebt, komt zo’n talent  binnen de beperking van de wijk niet goed tot z’n recht.’ Workshop-begeleider Fons van Leeuwen: ‘Misschien moet je met elkaar een masterclass vormen voor de echte talenten en daarover afspraken maken met de gemeenten.’

iemand overhandigt rapport van Special Arts aan Kees van der Burg

Fons van Leeuwen is van Special Arts, dat deze dag het onderzoek ‘Toekomst én perspectief voor dagbestedingateliers’ presenteerde. Special Arts bevordert dat mensen met een handicap  kunst kunnen beoefenen. Het onderzoek biedt een analyse én praktische handvatten voor het succesvol benaderen van gemeenten. Eén van de deelnemers sloeg de spijker op de kop: ‘Wij denken als dagbestedingateliers nog te veel vanuit doelgroepen. Dat wil een gemeente helemaal niet. Zij kennen maar één doelgroep: de burger die nog niet helemaal participeert.’

Van 24 naar 84 gemeenten

Dat was ook precies wat Marc van Ooijen, directeur bij Dichterbij, aansneed in de workshop over categorale zorgaanbieders en lokale samenwerkingspartners. Dichterbij heeft 24 gemeenten in haar werkgebied. Hoewel? Voor de Wmo is de woonplaats van de cliënt bepalend voor de vraag welke gemeente eventueel  een burger ondersteunt als de participatie en de zelfredzaamheid in het geding is. De exacte medische of psychische diagnose of leeftijd speelt daarbij geen rol. Marc van Ooijen: ‘Volgens dat criterium hebben we niet met 24 maar met 84 gemeenten te maken.’

Wees uniform in je prijzen

Hopeloos? Niet helemaal. Of beter gezegd: helemaal niet. Voor Dichterbij is de komende situatie de drijfveer geweest om op andere manieren te gaan samenwerken. Met gemeenten, maar eigenlijk met alle partijen die voor de zelfredzaamheid van een cliënt relevant kunnen zijn. Ook met andere zorgaanbieders. ‘Voorheen zagen we andere zorgaanbieders in de buurt als een concurrent. Nu zoeken we elkaar op en werken we samen’, aldus Marc van Ooijen.

Laat onverlet dat Dichterbij er een zware dobber aan heeft. Kostprijzen berekenen is lastig. En per gemeente steeds weer een ander formulier in moeten vullen ter voorbereiding op aanbestedingen, zoiets vreet tijd. De directeur adviseerde: ‘Blijf vooral scherp. Zorg dat je uniform bent in je prijzen. Want als je in de ene gemeente prijs X aanbiedt en in de andere prijs Y, is zoiets al snel bekend. Gevolg is dat je overal de laagste prijs moet betalen.’

De kracht van binding

Over scherp blijven gesproken, Van Ooijen wees erop dat een monopolie in een gemeente eerder een bedreiging dan een pluspunt is. ‘Je zou kunnen denken dat je goed zit als je in een gemeente een marktaandeel hebt van 75% of meer. In werkelijkheid is het een risico. In zo’n situatie zal een gemeente vrijwel zeker ook andere aanbieders uitnodigen voor de aanbesteding om een betere afweging te kunnen maken.’

huisband van Dichterbij: vkb-band

Hoe sterk is de monopolist? Hoe zwaar weegt geleverde kwaliteit mee? Alles is relatief, alles heeft minstens 2 kanten. Relativering speelde ook mee bij de cliënten die deze dag verkleed als agent met plaksnorren rondliepen. Met steeds weer een andere ludieke actie. Aan het eind van de middag liep een begeleider – ook als agent – met een lange draad door de gangen van de Oranjerie. ‘Wij doen aan binding’, zei de begeleider, terwijl de draad rond een groepje congresgangers gedraaid werd. ‘Waarom dragen jullie deze draad?’, vroeg een langslopende deelnemer even later aan de Bromsnor-cliënt die vele meters verder het laatste stukje van de draad droeg. ‘Oh, dit is gewoon een toneelstukje, dat vindt onze begeleider leuk.’

Presentaties

Bekijk de presentaties van het congres

Dossier(s)

Tags

In voor zorg-deelnemer

In voor zorg! is een programma van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en Vilans, Kenniscentrum voor langdurige zorg