invoorzorg.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

Ondersteuning bij veranderingen in de langdurige zorg.

Veranderingen maatschappelijk werk: 'Mijn werk is interessanter en afwisselender'

Gepubliceerd op: | Laatst gewijzigd op:

Wat betekenen de veranderingen in het sociaal domein voor het maatschappelijk werk in het sociaal werk? Welke rol heeft maatschappelijk werk in de verschuiving van individuele problemen naar collectieve mogelijkheden? Hoe wordt dit door de organisaties opgepakt? Wat betekent dit voor het persoonlijk leiderschap van maatschappelijk werkers? In dit artikel lees je welke oplossingen wel of juist niet werken en hoe maatschappelijk werkers koers houden in het veranderproces van sociaal werk.
Hoe is het maatschappelijk werk binnen sociaal werk veranderd de afgelopen jaren? Voor dit artikel zijn vier deelnemers aan de thematranche Welzijn geïnterviewd: Sociom, de LEVgroep, SWW Hoogeveen en Stimenz. De bestuurders zijn bevraagd op het veranderproces en op hoe zij het veranderproces sturen. Met sociaal werkers (met specialisatie maatschappelijk werk ) is gesproken over hun ervaringen, samenwerking en hun persoonlijk leerproces.

De context

De vier organisaties kennen een verschillende achtergrond, variërend van kort of iets langer geleden gefuseerde organisaties tot organisaties waar maatschappelijke dienstverlening altijd al onderdeel was van sociaal werk. De landelijke beweging is dat maatschappelijk werk als één van de specialismen wordt gezien van sociaal werk. Dit wordt weerspiegeld door de naamsverandering van de Nederlandse Vereniging voor Maatschappelijk Werk naar de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW).

In de 120-jarige geschiedenis van het sociaal werk ontstond een bonte waaier aan beroepsgroepen, functiegroepen en specialismen: van maatschappelijk en opbouwwerkers, buurtcoaches jongerenwerkers, ouderenadviseurs of gespecialiseerde sociaal raadslieden tot brede wijkteamwerkers. Ze handelen allemaal vanuit maatschappelijke betrokkenheid en volgens de uitgangspunten van de Wmo. Door de geuzennaam sociaal werker wordt landelijk duidelijk dat het hier gaat om professionals die staan voor het welzijn van burgers en buurten.

Om dat vak op hoog peil te houden is door de sector  het ‘Huis van de Sociaal werker’ ontwikkeld. Het huis beschrijft het sociaal werk als essentieel beroep in het veranderende sociaal domein. Het is de basis voor het nieuwe Beroepsregister sociaal werk en betere afstemming tussen de beroepspraktijk en het onderwijs. De organisaties spreken van “T-shaped” sociaal werkers; generalisten met een beroepsaccent. Greet Bouman (Stimenz): “Bij ons heet iedereen sociaal werker. Maatschappelijk werk is een specialisme van sociaal werk. Nog niet iedere medewerker beleeft dat zo”. Appel Lee (maatschappelijk werker LEVgroep): “Wij maatschappelijk werkers kijken met een andere blik naar situaties. Cultureel werkers leren me anders te kijken, onbevangen en met meer creativiteit”.

Visie en besturingsfilosofie

De visies waarmee de organisaties sturen leggen allen de focus op burgerkracht en samenkracht. Het gaat om het stimuleren van een zorgzame buurt, waar wederkerigheid vanzelfsprekend is. Positieve Gezondheid, de Presentie Theorie en Welzijn Nieuwe Stijl zijn achterliggende uitgangspunten. Organisaties worden zo ingericht en aangestuurd dat beroepskrachten gefaciliteerd worden om burgerkracht en samenkracht te ondersteunen en stimuleren. Beroepskrachten kunnen deze visie vooral uitdragen als de eigen organisatie hen ook in woord en daad ondersteunt, in dit geval door hen autonomie en regie te geven.

Veranderproces

Het veranderproces gaat over het werken en concretiseren van die visie in de werkpraktijk. De gesprekken met de maatschappelijk werkers laten de fases van verandering mooi zien: na de eerste weerstand (“waarom moet dit, weer iets erbij, we doen dit al...”) komt de onzekerheid. Onzekerheid door het zoeken naar je eigen plek: “de eerste tijd was ik vooral met mezelf bezig. Op een gegeven moment begreep ik het idee, het waarom”. Na de eerste ervaringen ontstaat ruimte voor teamleren. Samen met het team zoeken de beroepskrachten naar nieuwe werkwijzen.

Managers zijn nauw betrokken. Greet Bouman: “’red je maar met deze visie en opzet is’ niet genoeg, we ontdekten dat het dan pas begint en dat begeleiding en coaching door het management nodig is.” Het is ook een veranderproces voor inwoners/ cliënten en verwijzers. Jeanne Aerts van de LEVgroep: “Sommige verwijzers vinden dat de cliënt iets heel anders krijgt dan waarvoor hij ze doorverwijst. Dat is wennen en vraagt tijd en dialoog”.

Wat werkt?

In de gesprekken waren opvallend veel overeenkomsten te ontdekken in de werkende maatregelen. De kern is het bevorderen van de samenwerking met andere disciplines, intern en extern, en maatschappelijk en sociaal werk dichtbij (in) de natuurlijke leefomgeving positioneren. Alle geïnterviewde maatschappelijk werkers werken inmiddels in een gebiedsteam met verschillende sociaal werkers en andere beroepskrachten. Er bestaan op de achtergrond nog vakgroepen maatschappelijk werk. Het gebiedsteam wordt ervaren als het belangrijkste team. Samen in dat team ondernemen zij bijvoorbeeld:

  • Werken op 1 locatie, of in het wijk- of gezondheidscentrum in de wijk. Het effect is korte lijnen voor afstemming en kruisbestuiving van visies en werkwijzen
  • Het (inloop-) spreekuur breder bemensen (met álle sociaal werkers en eventueel andere beroepskrachten en vrijwilligers in plaats van alleen maatschappelijk werk)
  • Casuïstiek met andere (sociaal) werkers bespreken, wat leidt tot verbreding van invalshoeken en leren van elkaar
  • Vaker naar de cliënt op huisbezoek gaan
  • Proactief op huisbezoek n.a.v. signalen, vaak samen met een opbouwwerker of buurtverbinder
  • Samenwerken met vrijwilligers, buurtbewoners, vrijwilligersorganisaties en burgerinitiatieven, ervaringswerkers
  • Groepswerk samen oppakken, uitbreiden en professionaliseren
  • De 24-uurs dienst samen bemensen
  • Nieuwe projecten opzetten zoals het echtscheidingsspreekuur bemenst door getrainde vrijwilligers
  • Fusies waren in sommige gevallen aanleiding tot het ontwikkelen van een nieuw functiegebouw waarin gelijk werken gelijk wordt beloond voor alle sociaal werkers
  • Opleidingen en trainingen samen volgen

Tijd maken voor deze nieuwe werkwijzen is een belangrijke succesfactor. De ervaren werkdruk is hoog. Maatschappelijke werker Mirjam Zwanenbeek (SWW): “er zijn meer wachtlijsten dan voorheen. Dat aanvaarden we, het kan niet anders”.

SWW ontdekte dat het niet werkt als de gemeente oplegt om een beperkt aantal gesprekken te voeren en de financiering van maatschappelijk werk te baseren op afgeronde casussen. Johan Bosman: “Dat leidt tot draaideurcliënten, soms moeten we langer present blijven. Hierin werken we samen met vrijwilligersorganisaties”. 
Bij alle maatregelen gaat het om waardering, gelijkwaardigheid en vertrouwen over en weer. Waar uitwisseling van de grond komt over casussen ontstaan onderlinge waardering en vertrouwen.

Soms helpen nieuwe opdrachten. Zo kreeg SWW te maken met een forse uitbreiding van schoolmaatschappelijk werk. De nieuwe medewerkers brachten vernieuwing in de organisatie. Verschuivingen van werkplek of binnen de organisaties in verschillende beroepsaccenten werken helpt ook; het leidt tot meer flexibiliteit en verbreding.

Ervaringen maatschappelijk werkers

Hoe kijken maatschappelijk werkers zelf terug op de afgelopen 2 jaar? Allen gaven ze aan dat het begin lastig was. Door te gaan doen en uit te proberen ontstonden nieuwe ervaringen.  Nu hebben ze er alle vier lol in.

  • Fien van Grinsven (Sociom): “Mijn werk is nu afwisselender: meer verschillende cliënten, ik kom veel meer bij mensen thuis, zit minder achter mijn bureau. Ik zie de cliënt nu veel meer als inwoner van de samenleving. Ik kijk breder en leer die samenleving beter kennen: weet wat er speelt”.
  • Mirjam Zwanenbeek (SWW): “Ik leg makkelijker verbindingen in de wijk, niet alleen met geregistreerde vrijwilligers. Bijvoorbeeld voor iemand die graag wil wandelen met een andere wijkbewoner”.
  • Inez Vennik (Stimenz): “Ik zie het aangaan van contacten in de wijk als een investering. Mensen die ik leer kennen kunnen mij misschien een keer helpen of ze vragen juist sneller om hulp omdat ze me kennen”.
  • Appel Lee (LEVgroep): “Voorheen was de noodzaak voor een cliënt om iemand uit het netwerk  te vragen om te ondersteunen er minder. Nu deze er wel is, leren wij en de cliënt hoeveel mogelijk is als je dat wel doet. Mensen kunnen veel meer dan ze denken, dat zien gebeuren geeft veel voldoening”.
  • Fien van Grinsven: “Ik word nu ook betrokken bij welzijnsactiviteiten en burgerinitiatieven. In het begin was dat wennen: wat kan ik hen brengen, zitten ze wel op mij te wachten. En dan moest het ook nog vaak in de avond, dat was ik niet gewend. Het bleek echter dat mensen blij zijn met mijn aandacht en met dat ik oprecht luister”.
  • Appel Lee: “Ik voel me verbonden met mijn collega’s (van andere organisaties) in het kernteam én met mijn LEV-collega’s (cultureel werkers). In het kernteam kan ik bijvoorbeeld sparren over casussen en met mijn LEV-collega’s bespreek ik ontwikkelingen in ons werkgebied”.

Hoe verder?

Alle organisaties vinden dat ze er nog niet zijn. Het proces gaande houden is de grote uitdaging. Het is de kunst niet alleen sociaal werkers maar ook inwoners en verwijzers mee te nemen in de veranderingen. Jeroen Rovers (Sociom): “Ik zie een bijzondere tegenstelling bij sommige maatschappelijk werkers: enerzijds zijn ze zelfbewust en trots op hun vak en anderzijds speelt de onzekerheid over de plaats van het specialisme maatschappelijk werk binnen sociaal werk. Ik zou graag zien dat maatschappelijk werkers zich uitgedaagd voelen om de relevantie van hun specialisme voor het huidige sociaal werk te laten zien en te delen. Dus uit de verdedigende stellingen”. 

Aandachtspunten zijn de begeleiding van vrijwilligers en bewoners die zich vrijwillig inzetten, alsmede aandacht voor methoden en voor vak ontwikkeling,  nu de vakgroepen naar de achtergrond verdwijnen en de casuïstiek complexer lijkt te worden. De grenzen tussen maatschappelijk werkers en andere sociaal werkers vervagen in rap tempo: maatschappelijk werk is sociaal werk. Dat geldt ook voor de organisaties: het gebied (dorp / wijk/ buurt) wordt belangrijker dan de organisatiegrenzen. Via ontmoeting ontstaat steeds meer samenwerking. De exacte invulling van de teams is gebieds- en opdracht afhankelijk. De inwoners kennen en als beroepskrachten gekend worden, dat staat voorop.

Meer weten

Dossier(s)

Tags

In voor zorg-deelnemer

In voor zorg! is een programma van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en Vilans, Kenniscentrum voor langdurige zorg