invoorzorg.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

Ondersteuning bij veranderingen in de langdurige zorg.

Nienke Nieuwenhuizen: ‘Thuis blijven tot het niet meer kan. En dan de zorg die nodig is’

Gepubliceerd op:

‘Voor mij begint oud pas bij 86 jaar met veel gebreken. Uiteraard zijn er ook zwakke, broze 45-plussers. Maar het is vreemd om speciale busjes te laten rijden voor uitsluitend 55-plussers. Alsof die allemaal al oud en kwetsbaar zijn.’

Dit zegt Nienke Nieuwenhuizen, de welbespraakte bestuursvoorzitter van Verenso tegen interviewer Willem Wansink. Verenso is de beroepsvereniging voor specialisten ouderengeneeskunde en sociaal geriaters. Deze organisatie is de opvolger van de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen (NVVA).

Verenso-voorzitter Nieuwenhuizen kantelt graag bestaande beelden: ‘In de langdurige zorg speelt leeftijd feitelijk geen rol,’ zegt zij. ‘Want leeftijd heeft geen invloed op de vraag of iemand kwetsbaar is. Oud is niet synoniem voor kwetsbaar. En kwetsbaar is echt kwetsbaar.’

Hoe kijkt u aan tegen de hervorming van de langdurige zorg?

Nieuwenhuizen: ‘Een beetje onrust mag wel. We moeten goed nadenken over de toekomst van de zorg. Ik zeg niet: “Zoals het was, moet het altijd blijven.” Er is nu alleen veel onzekerheid. Hoe pakken gemeenten de transitie in de care op, als mensen straks langer thuis blijven wonen? Hoe gaan ze om met de indicering? Wanneer komt iemand in aanmerking voor de Wet langdurige zorg (Wlz), wanneer voor de gemeentelijke regelingen? Het moet geen willekeur worden. Dat soort vragen houdt me bezig.’

Maakt u zich zorgen?

‘Ja. Er zullen mensen tussen de wal en het schip vallen. We weten al wie dat zijn. Dat zijn de mensen die op het randje balanceren en geen mantelzorgers hebben. Mensen die alleen en eenzaam zijn, met psychiatrische problemen kampen, die oud en kwetsbaar zijn. Zij gaan niet zelf roepen dat ze hulp nodig hebben. Dat is voor een groot deel ook onze doelgroep.’

Maakt het straks verschil waar iemand woont?

‘Dat hoop ik niet. Maar het zal mogelijk wel uitmaken waar je woont. De ene gemeente is rijker dan de andere, en kan dus meer betalen. Mensen zijn bang dat er straks geen geld meer voor ze is. Dat hoor ik vaker. Bij een verhaal over de vijf fabels van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) stond laatst: “U krijgt altijd zorg, ook al is het geld op.” Dan denk ik: “Dat is een vreemde boodschap.” Je kunt niet zeggen: “We geven zorg als het geld op is”.’

Springt de landelijke overheid dan bij?

‘Dat weet ik niet. Er staat niet: “Als het geld van de gemeente op is, kunt u zich wenden tot de overheid”.’

De specialist ouderengeneeskunde werkt vooral in het verpleeghuis. Gaat u nu ook de wijk in?

‘Vroeger woonde onze doelgroep gecentreerd in het verpleeghuis of een verzorgingshuis: complexe mensen met complexe medische problemen. Deze mensen hebben medische en paramedische zorg nodig. Straks wonen die kwetsbare mensen veel langer in de wijk. Dat is het beleid. En ook daar hebben zij recht op de specifieke paramedische en medische behandeling die we in een verpleeghuis geven. Want wij worden geacht ook op deze inwoners te letten.’

Krijgt u daarvoor betaald?

‘Wij praten met het ministerie van Volksgezondheid (VWS) over de financiering van onze werkzaamheden in de wijken. Tot nu toe worden onze consulten uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten vergoed (AWBZ). Maar in de nieuwe Wlz ontbreekt een regeling voor de honorering van onze extramurale  taken in de wijk. Samen met de arts verstandelijk gehandicapten zijn wij de enige dokters die niet uit de Zorgverzekeringswet worden betaald. Hoe die financiering volgend jaar wel moet, is onderwerp van gesprek. Gelukkig zijn zowel het ministerie van VWS als de zorgverzekeraars overtuigd van onze meerwaarde en van de noodzaak dat wij ook buiten de muren van een zorginstelling onze diensten moeten kunnen leveren.’

Waarom is dat nodig?

‘Wij willen het liefst dat je met je oma of je moeder bij ons op consult kunt komen om een advies in te winnen. Dat is fijn, maar dit moet wel via de huisarts lopen, omdat die de regievoerders en wij de gegevens van een patiënt nodig hebben. Tenslotte kan de huisarts niet alles zelf. We zullen het echt samen moeten doen.’

Wat is het verschil tussen u en de huisarts?

‘Wij kijken anders aan tegen de autonomie van de patiënt. Huisartsen zijn meer gericht op autonomie, zij doen niet aan bemoeizucht. Wanneer de buurvrouw van een patiënt belt dat meneer zo raar doet, dan komt de huisarts niet.’

‘Specialisten ouderengeneeskunde zijn juist heel blij met dat soort signalen. Wij richten ons in eerste instantie op functionaliteit en daarna pas op diagnostiek. We letten op overbehandeling en op onderbehandeling. Wij werken in multidisciplinaire teams met andere artsen, paramedici, verpleegkundigen of verzorgenden. En we gaan erop af. Uiteraard met respect voor de autonomie van de mens.’

Wat doet u dan?

‘Wij doen pro-actief werk. Als wij ergens komen, in het verpleeghuis of thuis, dan zien we algauw: “Dit is een meneer met diabetes, COPD en een herseninfarct.” Zo iemand heeft een grote kans op een depressie, incontinentie of valgevaar. Wij helpen te voorkomen dat die man achteruit gaat en mogelijk zelfs beter gaat functioneren. Dat kunnen we ook in de wijk.’

Hoe bereikt u de bewoners van een wijk?

‘De specialist ouderengeneeskunde is vooral dokter. Wij zijn niet alleen met zorg bezig. Wij signaleren vroeg. Toegegeven, zelfs met screening kun je de meest kwetsbaren niet altijd “naar boven halen.” Daar zit de huisarts ook mee. Met screening los je weinig op. Je doet veel goeds, maar je vindt de meest kwetsbaren niet meteen.’

Hoe garandeert u thuis de kwaliteit van zorg?

‘Dat wordt spannend. Neem dementie en thuiszorg. Mensen hebben thuis hetzelfde dwaalgedrag als in een verpleeghuis, waar ze achter een gesloten deur zitten. Wat doet de gemiddelde thuiszorgmedewerker of echtgenoot? Die gaat even weg en doet voor de zekerheid de deur op slot. Als dat in een verpleeghuis gebeurt, wordt daar erg moeilijk over gedaan en heet het vrijheidsberoving.’

En thuis?

‘Thuis heb je er geen zicht op. Er komt geen paramedisch team langs, zoals in het verpleeghuis. Ik zie dat dit misgaat. In een verpleeghuis kun je meteen overleggen. Maar thuis blijft de signalering lastig. De bottleneck is het gebrek aan kennis.’

Kan dit beter?

‘Ja, als de medewerkers in de thuiszorg intensief worden bijgeschoold, bijvoorbeeld met e-health-modules. Zij kunnen niet wat een verzorgende in het verpleeghuis kan, al gaat het ministerie van VWS ervan uit dat ze allemaal hetzelfde moeten kunnen. De helpende in een verpleeghuis heeft een andere ambiance, sfeer en kennis, die krijgt veel input van de groep om zich heen. Dat is een ander verhaal.’

Hoe weten buurtbewoners waar u bereikbaar bent? U heeft geen alarmnummer, er is geen rode knop, geen brievenbus.

‘Wij timmeren hard aan de weg. Maar de huisarts blijft het aanspreekpunt. Dat hebben we met elkaar afgesproken. De huisarts heeft de regie en is het doorstroompunt naar geriaters, psychiaters of naar ons. De huisartsen moeten het doen. Daar hebben ze best moeite mee. Zij krijgen het druk en zullen taken moeten delegeren.’

Gaat u nu folders uitdelen in de buurt?

‘Wij hebben nog veel werk intramuraal, in de verpleeghuizen. Er is een capaciteitsprobleem, er zijn veel openstaande vacatures. Ons werk blijft primair intramuraal, daarom zie ik de 50.000 verpleeghuisbedden niet snel verdwijnen. De 250.000 bedden in de verzorgingshuizen worden afgebouwd. Maar de bedden in de verpleeghuizen blijven bestaan.’

Welke kant gaat het op in de langdurige zorg?

‘Er wordt gezegd dat mensen langer thuis willen blijven wonen en dat daarom verzorgingshuizen moeten sluiten. Maar die trend is al een jaar of tien gaande en die wordt nu geïntensiveerd. Natuurlijk wil iedereen langer thuis blijven wonen, maar dat wilden we in de jaren zestig van de vorige eeuw ook.’

Kan iedereen zo lang mogelijk thuis blijven?

‘Mijn  stelling is: “Thuis, ja − totdat het niet meer gaat.” Dat moet er echt achter staan. Dus: “We willen thuisblijven tot het niet meer kan. En we willen dan zorg die we nodig hebben.” Daar gaat het om. Vraag iemand of die naar het ziekenhuis wil voor een openhartoperatie. Dan zegt die persoon ook: “Nee.” Maar als het moet, is het fijn dat het kan.’

‘Het zou mooi zijn als iedereen thuis kan blijven. Maar het moet wel kunnen. Bovendien is het duurder. Als je de zorg centreert, ben je sneller heen en weer dan als je iemand op zijn fietsje de hele tijd door de wijk laat rijden.’

Dat kan toch anders?

‘Daar is inderdaad wel iets aan te doen. Hoe? Met een wijkalarm of applicaties voor de mobiele telefoon, zodat je de zorg sneller kunt organiseren, eventueel met niet-professionele zorg. Ik ben daar veel mee bezig. Vanzelfsprekend moeten er ook in de verpleeghuizen nog enkele slagen worden verricht. Alles kan efficiënter. Sommige verpleeghuizen hebben nog steeds geen elektronisch patiëntendossier.’

Hoe nu verder?

‘Het blijft de vraag waarom een en ander zo snel moet worden afgebouwd. Het maakt weinig uit of je een appartement huurt in een verzorgingshuis dan wel in een huis waar verzorging is. En hoe gaat dat over een paar jaar? Nu breken we huizen af. Zetten we er straks weer nieuwe neer? Uiteindelijk is dat niet goedkoper.’

Uw alternatief?

‘Het allerbelangrijkste blijft scholing. Elk verzorgings- en verpleeghuis krijgt nu een budget voor scholing: 1 of 2 procent van het loon. Die scholing is niet altijd voldoende. Ieder huis doet het voor zichzelf. Er zit geen lijn in. Ik bepleit één landelijk scholingsplan voor de langdurige zorg, met e-learning en intervisie. Daar kan ook de thuiszorg uit putten.’

‘Veel van wat ik in het verpleeghuis doe, is uitleggen. Je ziet dat medewerkers kennis missen. Terwijl het handig is als ze allemaal, ook in de thuiszorg, meer weten over een herseninfarct, diabetes of de verschillende vormen van dementie. Als je die ziektes goed kunt signaleren, dan weet je ook in de thuissituatie beter waar je op moet letten.’

Dossier(s)

Tags

In voor zorg! is een programma van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en Vilans, Kenniscentrum voor langdurige zorg