invoorzorg.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

Ondersteuning bij veranderingen in de langdurige zorg.

Werken in de wijk, toen en nu

Gepubliceerd op: | Laatst gewijzigd op:

‘De inhoud van het werk is eigenlijk hetzelfde als toen ik in de wijk werkte’, stelt Hannie Treffers vast na een ochtend meelopen met Gerry Konings. ‘Dan bedoel ik vooral de cliënten en wat je doet: het verzorgen en verplegen van mensen op je route.’

De twee hebben samen door Wassenaar gefietst langs cliënten van Konings. Zij werkt bij SWZ en is sinds 1988 wijkverpleegkundige. Treffers heeft vanaf 1977 een aantal jaren in Gouda gewerkt als wijkverpleegkundige en hoofdwijkverpleegkundige in de Betuwe. Ze is nu programmaleider van In voor zorg!, een landelijk programma dat zorgorganisaties helpt bij de veranderingen in de langdurige zorg. Hoewel de cliënten voor haar een feest van herkenning zijn, ziet ze ook twee verschillen met het verleden: de betere technische middelen en het teamwork. ‘De voorzieningen zijn alleen maar verbeterd, bijvoorbeeld anti-decubitusmateriaal. En je hebt nu een bedrijf dat stoma- en verbandmateriaal heel snel bij mensen thuis kan bezorgen. Wij moesten vroeger allemaal aparte pakketjes bestellen.’

Geen solist meer

Maar de grootste verandering vindt zij dat de wijkverpleegkundige geen solist meer is. ‘Ik had één agenda, met daarin mijn eigen planning. Ik was eigen baas en deed eigenlijk alleen beroep op collega’s als ik ziek was. Maar Gerry werkt echt in een team.’ Konings legt uit dat alle leden van haar zelfsturende team naast zorgverlening een taak hebben voor het collectief. Zo onderhoudt zij met een collega de contacten met het hoofd zorg van SWZ over beleidszaken, doen drie anderen de planning en koopt weer iemand anders kantoorartikelen. Daarnaast hebben teamleden inhoudelijke specialisaties. In haar geval zijn dat wondzorg, decubitus en dementie. ‘Ik werd vanochtend tijdens de route nog gebeld door een collega: “Ik ben bij een verwarde mevrouw, wat moet ik hiermee?”’

Wijkverpleegkundige als vraagbaak

Ook cliënten zien de ervaren wijkverpleegkundige als vraagbaak. Konings: ‘Van de week zei een terminale cliënt: “O, nu jíj er bent kan ik mijn vragen stellen.” In ons team zitten medewerkers van verschillende niveaus. Als verpleegkundige heb je toch oog voor andere dingen. Ik let er bijvoorbeeld automatisch op dat iemand met een halfzijdige verlamming rechtop gaat staan, zodat de long ontplooit.’ De opkomst van wijkziekenverzorgenden naast verpleegkundigen heeft Treffers destijds meegemaakt. ‘Voor oudere wijkverpleegkundigen was dat een drama. Dat kón toch niet: cliënten overlaten aan iemand die niet als verpleegkundige was opgeleid? De andere kant van het verhaal was dat wij als verpleegkundigen ook nog relatief eenvoudige dingen deden, zoals de huis-, tuin-, en keukenwasbeurt.”

Scheiding van functies

De ingezette scheiding van functies werd in de jaren daarna scherper. Eind twintigste eeuw waren naast huishoudelijke klusjes ook coördinatie en overleg verdwenen uit het takenpakket van wijkverpleegkundigen. Het werk en de overlegmomenten plannen, contact onderhouden met de familie: alleen de teamleider deed dat nog. De afgelopen jaren hebben de meeste thuiszorgorganisaties deze strikte taakverdeling weer losgelaten. Zelfsturende wijkteams krijgen de vrijheid hun werk in te vullen, zoals bij SWZ. Konings: ‘Er wordt weer verwacht dat je doet wat nodig is. Ik trek ook steunkousen aan.’

Nieuwe taak als regisseur

Intussen dient zich alweer een nieuwe taakomschrijving aan. De overheid hervormt de langdurige zorg, met als uitgangspunt dat mensen zichzelf langer thuis redden met zo min mogelijk professionele hulp. Om dat mogelijk te maken, moet de wijkverpleegkundige de regisseur worden van een netwerk van zorg- en dienstverleners in de buurt en de mantelzorgers rondom een cliënt.

Voor een deel van haar clientèle speelt Konings al zo’n rol. Als casemanager voor mensen met dementie overlegt ze met huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde, dagbesteding, welzijnsleveranciers én mantelzorgers. ‘Ik heb nu bijvoorbeeld een cliënt die erg opziet tegen verhuizen. Ik heb zijn zoon gevraagd regelmatig met hem over het verpleeghuis te spreken, zodat zijn vader aan het idee kan wennen.’ Als iemand voor het eerst naar de dagbesteding gaat, zorgt ze dat een familielid meegaat. ‘Dat geeft mensen een gevoel van veiligheid. Ik ga zelf ook mee, om te kijken hoe het gaat.’

Productie draaien

Maar voor andere cliënten ontbreekt haar de tijd als regisseur op te treden. De thuiszorgorganisatie krijgt een vergoeding op basis van productie, ofwel de uren die medewerkers besteden aan ‘directe’ zorg bij mensen thuis. Gesprekken met familieleden of overleg met buurtorganisaties zijn ‘indirecte’ bezigheden met weinig financiering. “Wij moeten productie draaien. Vaak ben ik nu al “over tijd” omdat ik dingen toch wil regelen’, zegt de Wassenaarse verpleegkundige. Ook dat was vroeger anders, vertelt Treffers. ‘Ik had gewoon een budget. ’s Ochtends deed ik mijn route, ’s middags had ik tijd voor preventie, dingen bestellen, bellen met de fysiotherapeut enzovoort.’

Zij denkt dat de wijkverpleging zich in een tussenfase bevindt. ‘Doordat alles draait om directe tijd, zit je in een kramp. In de toekomst denk ik dat wijkverpleegkundigen veel meer die rol krijgen als spil in een wijkteam. Vooral bij de complexere gevallen, mensen met dementie of psychiatrische problemen, of als de jeugdzorg betrokken is. Daar moet de financiering dan ook op toegesneden worden.’

Gerrie Konings en Hannie Treffers

Gewend aan professionele hulp

De omslag naar een zo licht mogelijke ondersteuning vergt naast aangepaste financiering vooral een andere houding van alle betrokkenen. ‘Toen ik begon in de wijk, waren we erop gericht mensen te motiveren weer dingen zelf te doen’, herinnert Konings zich. ‘Dat is een hele tijd uit de mode geweest. Vrouwen gingen aan het werk, hadden niet zoveel gelegenheid meer om oma te helpen en droegen dat over aan de zorg. Nu moet bij cliënten én zorgverleners het gevoel terugkomen dat de intentie van zorg is dat je zo snel mogelijk weer zelf vooruit kunt.’ Ze noemt het voorbeeld van een oudere man met darmkanker, die ze wilde leren zelf zijn stoma te verwisselen, zodat hij weer onafhankelijk van zorg zou zijn. De drukbezette senior zag dat helemaal zitten, tot hij zijn medisch specialist bezocht. ‘Die zei tegen hem: “Maar u hebt niet lang meer te leven, dat gaat u niet leren!’ Dus nu denkt hij dat het niet kan.’

Burgers beter voorbereiden

Treffers: ‘Het grootste probleem van deze transitie is: hoe leren we anders denken? Mensen zien het als een recht om professionele hulp te krijgen. Zowel ouderen als jongeren zijn individualistisch en niet meer gewend te denken: wat kunnen we voor elkaar betekenen.’ Gemeenten moeten burgers veel meer op deze verandering voorbereiden, denkt Konings. ‘Ze moeten duidelijk maken: denk erom, hulp is maar tijdelijk.’ Ook Treffers vindt dat de communicatie ‘veel beter’ kan, zowel vanuit gemeenten als de landelijke overheid. Maar, voegt ze eraan toe, ‘de realiteit is dat de omslag afgedwongen zal worden.’ Konings vreest dat dit te snel gaat. ‘Die omslag naar meer professionele zorg heeft jaren geduurd, een verandering als deze kost ook jaren.’

Grenzen aan de mantelzorg

Dat roept de vraag op hoe het moet met mensen zonder naasten die tijd of zin hebben om voor ze te zorgen. Waar liggen de grenzen van mantelzorg? ‘Dat zullen we de komende jaren ontdekken’, zegt Treffers. ‘Als ik naar mezelf kijk: ik werk fulltime, pas op mijn kleinkinderen, ben voorzitter van een zwemvereniging. Op de kinderopvang wordt bezuinigd, op het zwembad ook, dus daar zijn meer vrijwilligers nodig. Mijn ouders zijn er niet meer, dus voor hen hoef ik niet te zorgen. Maar het wordt voor heel veel mensen een optelsom.’

Net als Treffers is Konings ‘heel benieuwd’ hoe de terugtrekking van professionele zorg zal uitpakken. ‘Ouderen in een buurt met werkende mensen zitten de hele dag alleen’, constateert ze. Aan de andere kant: ‘Het kan zijn dat de fulltime werkende dochter een zus heeft die parttime werkt en die meer kan doen. Dat merk ik in mijn functie als casemanager. Daar kom je achter als je tijd hebt om contact te leggen met de familie.’

Interview: Krista Kroon

Tags

In voor zorg! is een programma van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en Vilans, Kenniscentrum voor langdurige zorg