invoorzorg.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

Ondersteuning bij veranderingen in de langdurige zorg.

SCP-directeur Kim Putters: ‘Wethouders zorg moeten mensen meenemen in hun verhaal'

Gepubliceerd op: | Laatst gewijzigd op:

Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in Den Haag erkent dat er hoge verwachtingen worden gesteld aan de gemeenten, met de drie decentralisaties die er op hen afkomen (werk, jeugd en zorg). ‘De hervorming van de langdurige zorg valt of staat met de visie en inspiratie van de wethouder zorg.’

Na de recente gemeenteraadsverkiezingen zijn er bijna overal nieuwe gemeenteraden geïnstalleerd en nieuwe colleges benoemd. In veel gevallen hebben andere wethouders de verzwaarde portefeuille zorg gekregen. Kim Putters wijst meteen op de risico’s van deze wisseling: ‘Als de nieuwe wethouders hun taak aankunnen, dat uitstralen, eropuit gaan en mensen meenemen, dan heb je de helft van het verhaal al  verteld. Gebeurt dat niet, dus als de wethouder behoudend is, geen visie ontwikkelt en op de zak met geld blijft zitten uit angst voor hogere kosten, dan gaat die gemeente een zware tijd tegemoet.’

Ondergrens

Wisselingen van de macht horen bij het democratische bestel, weet Putters. ‘Prima. Maar daardoor verdwijnt er soms veel kennis en mankracht.’ Hij hoopt dat de nieuwe gemeenteraden en colleges het er al met elkaar over hebben gehad welke zorg er in een wijk of buurt minimaal aanwezig moet zijn. ‘Wat zijn de ondergrenzen, de normen waar de mensen niet doorheen mogen zakken? Ik kan niet in 403 gemeenteraadszalen tegelijk kijken. Maar ik vermoed dat dit gesprek daar nu niet altijd plaatsvindt.’

In dit verband wijst hij op de kracht van het ambtelijk apparaat. ‘De zittende ambtenaren kunnen weleens de continue factor blijken te zijn. Dus moeten we erover nadenken hoe die ambtelijke organisatie in elkaar dient te steken. En welke verbinding er met de samenleving wordt gemaakt.’

Wat wil hij hiermee zeggen? ‘Een ambtelijke organisatie dient deskundig te zijn, maar ook responsief. Je moet als ambtenaar met burgers durven praten en dat weten te vertalen in heldere voorstellen. Dat vraagt veel flexibiliteit en inzicht.’

lokale verzorgingsstad

Putters signaleert meerdere zwakke plekken. ‘De risico’s in de langdurige zorg zitten bij de capaciteit, het geld en de gemeentelijke apparaten. Dus de kennis, de middelen en de hoeveelheid ambtenaren die daarmee bezig zijn. Dit geldt zeker voor kleinere gemeenten. Hoe verder je van de stad afraakt, hoe minder ambtenaren zich bezig houden met zorg. Soms maar 1 of 2. Dan ben je kwetsbaar. Een valkuil.’ 

Nederland, zegt Putters, ‘staat aan de vooravond van de grootste herziening van onze verzorgingsstaat.’ Daarbij gaat het om méér dan de drie decentralisaties die op de gemeenten afkomen. ‘De afgelopen jaren is er al veel gedecentraliseerd op het gebied van veiligheid, van onderwijs en van handhaving. Intussen doemt er een meer lokale verzorgingsstad op. Dat roept de vraag op of de kennis en de kunde er is om zo’n lokale samenleving te ondersteunen.’

En, voegt hij hieraan toe: ‘Het is straks niet meer Martin van Rijn, Jetta Klijnsma of Mark Rutte  die zeggen wat bijvoorbeeld goede zorg in de wijk is. Dat kun je leuk vinden of niet, maar dat is de kern van de nieuwe verhoudingen.’

Wmo in beweging

Vandaag heeft het SCP haar tweede evaluatie uitgebracht over de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) die in 2007 werd ingevoerd: ‘De Wmo in beweging' (externe link). SCP-directeur Putters is optimistisch over de vorderingen binnen de Wmo, vooral op het gebied van de aanbesteding. ‘Dat zijn de gemeenten beter gaan doen. Zij ontwikkelen steeds meer visie. Ze richten hun beleid meer en meer op de behoeften van mensen en snijden dat toe op de hulpverlening aan ouderen. Ze weten dat niet alles meer een eenheidsworst kan zijn, maar dat je het moet zoeken in combinaties van diensten en hulpverlening.’

Hij plaatst wel kanttekeningen bij de Wmo; als adviseur van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is dat zijn rol. Putters: ‘Bij de informele zorg constateren wij als SCP dat de aannames onder het nationale beleid en het lokale beleid nogal groot zijn. En het is de vraag of die veronderstellingen kunnen worden gerealiseerd.’

Informele zorg

Neem het potentieel aan mantelzorgers en vrijwilligers. Mantelzorgers, legt hij uit, houden zich bezig met ‘lijfgebonden zorg’. ‘Overwegend vrouwen boven de 45 die afkomstig uit de zorgsector.’ De druk op hen neemt toe. ‘Ze gaan zelfs minder werken om te kunnen zorgen.’ Vrijwilligers zijn hulpverleners die zich meer richten op tijdsbesteding, recreatie en sociale contacten.

Putters: ‘De aannames zijn groot. Maar het inzicht ontbreekt of het realistisch is ervan uit te gaan dat er straks genoeg mensen zijn om meer informele hulp te verlenen. We kunnen dus voor grote verrassingen komen te staan als die professionele hulp er niet meer is of niet ingekocht wordt. Ook dat is een risico: het gaat niet vanzelf.’

De potentie is er, geeft hij toe, al gaan ‘andere delen van de bevolking niet automatisch meer doen’. Er moet ergens ‘een verbinding’ zijn, een ‘collectief niveau’: een kerkelijke gemeenschap, familie, een wijk. ‘Misschien dat mensen voor de eigen partner, de ouders of de naaste buren willen zorgen. Maar dat doen ze niet zo gauw als het om onbekende mensen gaat.’

Daar komt bij dat steeds meer gezinnen uit elkaar gevallen zijn, dat partners niet vanzelfsprekend voor elkaar zorgen en kinderen vaak niet meer in de buurt wonen. ‘Dat maakt het allemaal erg kwetsbaar. Gemeenten moeten er dus wel iets voor doen als de landelijke overheid deze taken niet meer op zich neemt.’

Participatiesamenleving

Op de vraag of er grote lokale verschillen kunnen ontstaan, laat hij weten dat hij aan een publicatie werkt over de participatiesamenleving. Daarin beschrijft hij wat er allemaal op de gemeenten afkomt en met welke dilemma’s zij kunnen worden geconfronteerd.

Putters: ‘De participatiesamenleving heeft te maken met arbeidsparticipatie, maatschappelijke participatie, met zorgen voor elkaar en voor de buren, met levenslang leren en switchen van baan. Je moet voor je wijk en je buurt zorgen en ook nog meedoen in beleid en bestuur, omdat er een zogenaamde doedemocratie moet komen. Maar de burgers is nooit gevraagd of ze in een doedemocratie willen wonen.’

‘Als je dat allemaal bij elkaar optelt, dan rijst de vraag of deze stapeling van verwachtingen wel kan. Voor de een misschien wel, maar niet voor iedereen. Zeker nu de kwaliteit van leven in Nederland, voor het eerst in 30 jaar, terugloopt. Dat komt doordat de groep kwetsbare mensen met een laag inkomen, een lage gezondheid en geen werk toeneemt tot 6 à 7 procent van de bevolking.’

Putters: ‘We hebben 1,6 miljoen Nederlanders buiten de arbeidsmarkt staan, in de WW, de Wajong of als gepensioneerden. Verdeel dat over alle gemeenten, dan heeft elke gemeente wel een groep mensen die niet werkt. Dat zijn niet automatisch mensen die voor anderen kunnen zorgen.’ Zijn conclusie? ‘Een aantal seinen staat op rood. En die springen niet vanzelf op groen.’

Zorgen en ontzorgen

De boodschap van de decentralisatie wringt, zegt hij. Aan de ene kant gaat het om een herijking van verantwoordelijkheden. ‘Een nieuwe ordening van onze samenleving.’ Heftig, maar dat begrijpt de Nederlander. ‘Iedereen weet dat iemand van 60 net na de Tweede Wereldoorlog vaak ziek en gebrekkig was en hulp nodig had. Dat is nu niet meer het geval.’ De andere boodschap gaat over bezuinigingen. ‘Beide doelstellingen buitelen over elkaar heen.’
 
Alle plannen van de overheid gaan ervan uit dat zorg zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. ‘Preventie betekent zorgen dat mensen niet ziek worden.’ Maar soms is zorgen juist heel goed om erger te voorkomen of om de kwaliteit van leven op peil te houden, oppert hij. ‘Dat is het dilemma waar gemeenten voor komen te staan: het dilemma tussen zorgen en ontzorgen.’

Wat is daarvan de consequentie? Putters: ‘Elke gemeente moet een balans zien te vinden voor de eigen bevolking. Wie heeft er zorg nodig, waar kun je dat voorkomen? Daar moeten gemeenteraden met hun burgers over praten. Bijvoorbeeld over de vraag hoe mensen aan het Wmo-loket willen worden bejegend. Er is niet erg veel tijd om het over die dingen te hebben.’

Dialoog

Putters schetst het beeld van een dunne lijn tussen een bevoogdende overheid die mensen ergens toe verplicht en een overheid die een moreel appèl doet op haar burgers. Cruciaal is wat er straks precies van burgers wordt gevraagd. Daarbij staat de geloofwaardigheid van bestuur centraal. ‘Gemeenteraden en colleges kunnen het met de burgers over de toekomst van hun zorg hebben en een echte dialoog met elkaar daarover voeren.’

Wat voor een soort overheid is er in de gemeente gewenst? ‘Als je het daar niet met elkaar over hebt, dan is die keus snel gemaakt. Voor je het weet, bepaalt een ambtenaar aan de keukentafel of iemand voor zijn moeder moet zorgen, voor de buurman dan wel voor een bewoner een paar straten verderop. Wil je dat niet, dan moet je het er nu over hebben hoe de overheid zich lokaal wel dient op te stellen.’
 
Interview door: Willem Wansink

Meer weten

  • SCP-evaluatierapport over de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ‘De Wmo in beweging' (externe link).

Dit interview is de derde in een serie over de hervorming langdurige zorg.
 

Dossier(s)

Tags

In voor zorg! is een programma van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en Vilans, Kenniscentrum voor langdurige zorg