invoorzorg.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

Ondersteuning bij veranderingen in de langdurige zorg.

Barneveld op weg naar een nieuwe balans

Gepubliceerd op: | Laatst gewijzigd op:

De welzijnsaanbieders in Barneveld zijn het erover eens dat de transitie van overheidstaken naar de gemeente op 1 januari 2015 in de kern een goede ontwikkeling was. Maar waar eerst mensen lange tijd veel te veel gepamperd werden, sloeg de balans na die datum ineens hard door naar de andere kant. Het werk van die transitie is dus nog lang niet af.

3 kleine welzijnsaanbieders aan tafel: Ad Huizer (Elan, praktijk voor welzijn, maatschappelijke dienstverlening en therapie), Wim Broekhuizen (Bemoeizorg Barneveld) en Ellen Alders (Welzijn Barneveld). Hoe zag hun wereld eruit voor de decentralisatie van overheidstaken naar de gemeenten in 2015? ‘Veel kleiner en overzichtelijker’, zegt Alders. ‘Het begrip “samen” staat nu met kapitalen in de agenda, voor die tijd konden we veel meer onze eigen route bepalen. Maar die nadruk op “samen” die er nu is gekomen, maakt Barneveld ook juist wel sterk. In een grote gemeente heb je veel meer aanbod in welzijnszorg en zit je elkaar dus sneller in de weg, of verlies je elkaar juist uit het oog.’ Juist in Barneveld niet iets om voor te vrezen, stelt wethouder jeugd, zorg, welzijn en verkeer Hans van Daalen. ‘Er is veel sociale cohesie in Barneveld’, zegt hij. ‘We hebben kerken, verenigingen en veel dwarsverbanden. Veel midden- en kleinbedrijf ook en veel ZZP’ers, allemaal mensen die elkaar opzoeken. Dat bood ons een goed uitgangspunt om tot een nieuw evenwicht te komen in de situatie die na 1 januari 2015 ontstond. Ik heb ook in grotere gemeenten gewerkt, daar kenden veel mensen de welzijnsorganisatie niet eens.’

Nieuw evenwicht vinden

Toch heeft het ook in Barneveld moeten groeien, blijkt uit het verhaal van Huizer. Hij vertelt: ‘We zijn al veel eerder in gesprek geraakt met de gemeente over de veranderingen in het sociale domein die we op ons af zagen komen. In die tijd hebben we een externe partij ingeschakeld om te laten onderzoeken hoe we er in Barneveld voorstonden met ons welzijnsaanbod en welke vraagontwikkeling we mochten verwachten. Daar kwam toen al uit dat we de zorg voor mensen die dat nodig hebben – denk aan zorgwekkende zorgmijders bijvoorbeeld – als aanbieders niet ieder voor zich aankonden, maar dat dit vroeg om samenwerking waarin ook de gemeente een partij was. De gemeente was daar toen ook al voorstander van. Maar we merkten dat nog niet alle zorg-, welzijn- en GGz-partijen ervoor open stonden. De overheersende cultuur was toen bij een aantal van hen nog: mijn toko moet blijven bestaan.’

Het was zoeken, erkent Broekhuizen. ‘Zeker in het begin, zegt hij, ‘je moet je rollen ten opzichte van elkaar bepalen.’ Echt spannend werd het in de laatste maanden voor 1 januari 2015. Alders: ‘Toen kwam het landelijk geluid dat uitstel nodig was van de decentralisatie van taken naar de gemeenten. Iets wat wij juist niet wilden, want wij hadden al de lijnen gelegd en de visies gedeeld.’ Toch schuurde het soms ook op het laatste moment nog wel, zegt Huizer. ‘Meer op organisatie dan op geld. De gemeente kocht externe kennis in op deelgebieden zoals jeugdzorg en voor die mensen moet het soms echt wel lastig geweest zijn om in die ambtelijke structuur van de gemeente te werken.’ Broekhuizen vult aan: ‘Bovendien haalde de gemeente die kennis overal vandaan behalve uit Barneveld zelf. Niet de kennis die er al was dus.’

Dat klopt gedeeltelijk, stelt Van Daalen: ‘Allereerst kon iedereen solliciteren, natuurlijk ook mensen uit Barneveld. Het netwerk binnen de gemeente is van groot belang, maar we hadden  behoefte aan specifieke kennis op de voor de gemeente nieuwe terreinen. Hiermee hebben we als gemeente willen laten zien dat er echt in die kennis hebben willen investeren. Die hadden we ook nodig, ook om op inhoudelijk niveau de gesprekken met de partners in de gemeente te kunnen voeren.’ Broekhuizen geeft aan die keuze ook wel te begrijpen. ‘Het lastige was natuurlijk dat wij juist in diezelfde tijd mensen moesten ontslaan. Maar ik snap wel dat de gemeente op datzelfde moment behoefte had aan mensen met een frisse blik.’

Discussie over geld

Het is een interessante opmerking van Huizer dat het net voor 1 januari 2015 meer schuurde op organisatie dan op geld. Gelet op het feit dat de gemeenten minder geld kregen voor uitvoering van de taken die naar hen werden verlegd dan de overheid er voor die tijd aan besteedde, kan het toch niet anders dan dat ook het geld tot discussie leidde? ‘Natuurlijk hebben we ook ter sprake gebracht dat we geld tekort komen om de continuïteit van een gezonde populatie te waarborgen’, zegt Huizer. ‘Wij zijn weliswaar niet gekort, maar er is ook niet financieel voorgesorteerd op de aanname dat de kanteling voor een toename van de vraag zou gaan zorgen.’ Als Van Daalen hier tegenin brengt dat de gemeente wel een innovatiebudget Wmo heeft ingesteld, reageert Broekhuizen: ‘Maar dat is juist het lastige. Als je gewoon blijft doen wat je al goed deed en de vraag daarnaar neemt toe, krijg je er toch geen extra geld voor omdat het geen innovatie is wat je doet. Dat we het toch hebben gered in het maatschappelijk werk was meer een uitputtings- dan een optimalisatieslag.’

In ieder geval is het wel goed, stelt Huizer, dat de afspraak is gemaakt dat het beschikbare geld één pot is waarin onderling mag worden geschoven op het moment dat dit nodig is.

En nu borgen

Inmiddels zijn we anderhalf jaar verder. Is de transitie van overheidstaken naar de gemeente een goede stap geweest? ‘Op zich wel’, zegt Alders. ‘Maar het is in de praktijk wel heel scherp ingestoken. Ik geef zonder meer toe dat we veel te ver waren doorgeschoten in het pamperen van mensen. Maar vanuit politiek Den Haag is er wel heel erg de schaaf overheen getrokken. Het is een compliment voor de gemeente dat we het in Barneveld nog best goed doen. Hier loopt nog niemand in zijn pyjama over straat.’

Maar het is nog niet af, stelt Broekhuizen. ‘Je moet het borgen: zorgen dat de samenleving weer de dingen oppakt die ze als gevolg van al die jaren pamperen heeft laten liggen, maar dat ze ook kan blijven terugvallen op het formele circuit als dat nodig is.’ Alders erkent de noodzaak hiervan. ‘We zien dat er steeds meer alleenstaande ouderen komen’, zegt ze. ‘Er moet zorg voor die mensen blijven waarin ook een stukje welzijn zit, je kunt niet alles overlaten aan vrijwilligers.’

Van Daalen: ‘Je kunt ook een praatje maken met iemand terwijl je het huis schoonmaakt. Daarom maken wij ook afspraken op basis van resultaten – een schoon huis – en niet van uren. Maar dan moeten we wel af van het idee dat iedereen precies gelijk moet worden behandeld, want de ene hulpvrager heeft een groter netwerk dan de andere. We moeten dus af van het “Ik heb recht op…” en uitgaan van wat nodig is om goed te kunnen functioneren in de samenleving. Als iemand goed uit kan met de koffieochtend in de kerk is niet altijd meteen een professional nodig. De scherpe randjes moeten er misschien nog wel verder af maar ik denk dat we goed op weg zijn. Daarom wil ik nu, anderhalf jaar verder, ook op de inhoud in gesprek met aanbieders als blijkt dat die financieel niet uitkomen. Niet direct ervan uitgaan dat er geld bij moet dus, maar eerst kijken naar waarom problemen ontstaan.’ Hierin kan Huizer zich vinden. ‘Als meer mensen bij ons komen voor hulp, moeten we ook kijken of dit komt omdat ze elders in het systeem niet terechtkunnen.’ Een stellingname waarin alle aanwezigen zich kunnen vinden. ‘Soms moet je gewoon even opnieuw beginnen’, vat Alders samen. ‘En het is wel goed dat we dat hebben gedaan.’

Interview door Frank van Wijck

Meer weten

Dit artikel is onderdeel van een serie interviews over welzijnsorganisaties. Lees ook de andere interviews:

 

Dossier(s)

Tags

In voor zorg! is een programma van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en Vilans, Kenniscentrum voor langdurige zorg