invoorzorg.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

Ondersteuning bij veranderingen in de langdurige zorg.

West Brabant voorbij het experiment Regelarm

Gepubliceerd op: | Laatst gewijzigd op:

In West Brabant doorliepen 18 gemeenten een experimenteerprogramma om de transitie in de langdurige zorg in samenwerking en regelarm vorm te geven. Een buitengewoon leerzaam traject, zeggen de deelnemende partijen na afloop. Niet alleen omdat het veel praktische kennis heeft opgeleverd, maar ook omdat het in beeld brengt waar het nog knelt.

Het Experimenteerprogramma Regelarme Transitie AWBZ in de regio West Brabant zit erop. Een inhoudelijke slotbijeenkomst, voorgezeten door journaliste Clairy Polak, in De Nieuwe Nobelaer in Etten-Leur, vormde het slotakkoord, maar liet ook meteen zien dat de deelnemende partijen in de 18 West Brabantse gemeenten niet achterover kunnen leunen met het gevoel dat ze klaar zijn.

Anton van Mansum, bestuurder van zorgaanbieder Surplus, zei in zijn openingswoord meteen dat de deelnemers een uniek traject hebben doorlopen en dat hij niet jaloers is op de regio’s in het land waar de partijen die betrokken zijn bij de nieuwe gemeentetaken een dergelijk traject nog niet hebben doorlopen. ‘Wij hebben heel veel geleerd in dit traject en er zijn waardevolle dingen uitgekomen’, zei hij, ‘de inrichting van sociale wijkteams bijvoorbeeld, of nieuwe vormen van dagbesteding. Maar we zijn er nog niet heel erg in geslaagd om regionaal als 18 gemeenten en zorgaanbieders en zorgkantoren een systeem te creëren waarmee we gezamenlijk verder kunnen. We zijn er dus nog lang niet.’

Gepaste trots

In discussie met de zaal ging Polak in op de vraag wat terechtgekomen is van de versterking van buurtnetwerken en participatie van burgers. Natuurlijk konden de aanwezigen in de zaal – vooral mensen op beleidsniveau van de betrokken zorg- en welzijnsaanbieders – het niet laten om bij het beantwoorden hiervan even hun eigen experiment te noemen. Er was gepaste trots over de verschillende manieren waarop is gewerkt om de sociale cohesie in de wijken te versterken en bij burgers de omslag in denken te bewerkstelligen van claimgedrag vertonen naar nadenken over wat ze zelf kunnen doen. Dit hielp de zorgaanbieders om niet direct te denken vanuit hun zorgaanbod, maar ook eerst te kijken naar wat mensen zelf of met hulp van hun eigen netwerk kunnen.

De uitdaging hierbij voor veel zorgprofessionals was netwerken creëren rondom kwetsbare mensen zonder daarvoor meteen vaste structuren in te richten. In het ene geval kan het keukentafelgesprek de basis voor verandering zijn, in een ander geval kan juist een Facebookgroep of een mailinglijst heel goed werken. ‘Ga er niet altijd vanuit dat er een probleem is dat moet worden opgelost’, zei een van de aanwezigen.

Mevrouw met blauw jasje bij de microfoon

Niet meteen denken in structuren betekent ook dat de sociale wijkteams er in ieder van de 18 deelnemende gemeenten anders uit kunnen zien. Het gaat erom zorg en welzijn met elkaar te verbinden, zei een van de aanwezigen, en dit kan alleen van onderaf ontstaan. Natuurlijk is het interessant om over 2 of 3 jaar te onderzoeken welke van de gekozen werkvormen het beste werkt. ‘Maar dergelijk onderzoek moet niet leiden tot een blauwdruk’, klonk meteen de waarschuwing.

Doelgroepen mengen

Een volgend gespreksonderwerp betrof het creëren van nieuwe vormen van dagbesteding. In het zaalgesprek dat hieruit ontstond, lag de nadruk al snel op het bij elkaar brengen van mensen met verschillende achtergronden. Dagbesteding aanbieden voor kwetsbare ouderen én mensen met een verstandelijke beperking bijvoorbeeld. En als ieder van hen dan kiest welke dagbesteding hij of zij die dag wenst – winkelen, naar de bibliotheek, spelletjes doen – dan mengen die groepen zich vanzelf.

Andere voorbeelden zijn scholieren inzetten om regelmatig te gaan wandelen met ouderen of mensen met een verstandelijke beperking, of mensen met een verstandelijke beperking laten werken in het restaurant waar ouderen hun maaltijden nuttigen. Wel merkte iemand op: ‘Vooral de zorgaanbieders hebben nog wel wat te leren in het zoeken naar dergelijke verbindingen.’

Van aanbod- naar vraaggestuurd

Een rollenspel toonde aan dat dit niet de enige zoektocht is die nog niet voltooid is. Eerst werden de aanwezigen getrakteerd op een situatie waarin een Wmo-consulent een 85-jarige Brabantse multimorbide (het hebben van meerdere ziekten die tegelijk optreden - red.) man bezoekt die graag in aanmerking wilde komen voor een deeltaxipas om zijn in Haarlem wonende dochter te bezoeken. Die kon slechts eens in de 4 weken bij hem op bezoek komen, omdat ze een drukke baan en gezin had met een kind met Downsyndroom. Het gespreksverloop toonde een typisch voorbeeld van aanbodgestuurde zorg. Die deeltaxipas werd zonder pardon geregeld en de man kreeg ook hulp in de huishouding en zorgondersteuning aangeboden.

Rollenspel op bijeenkomst West Brabant

Vervolgens werd het gesprek opnieuw gedaan, maar dan volgens de nieuwe systematiek van “van zorgen voor naar zorgen dat”. En de aanwezigen in de zaal mochten het gesprek op basis van dit uitgangspunt sturen, zodat meer nadruk zou komen te liggen op de zelfredzaamheid van de man. Dat bleek voor veel van de aanwezigen – en ook voor de Wmo-consulente in het rollenspel – nog geen eenvoudige opgave. Wat doe je als sociaal isolement dreigt als de man geen gebruik wil maken van algemene voorzieningen? Toen iemand voorstelde dat voor het in kaart brengen van wat er precies speelde bij de oude man wellicht beter een wijkverpleegkundige kon worden ingezet dan een Wmo-consulent, klonk enig gemor uit de zaal. Dit geeft wel aan dat sociaal en medisch domein niet vanzelfsprekend dezelfde aanpak voorstaan en tot samenwerking kunnen komen.

De transformatie na de transitie

Na de pauze was het tijd voor een paneldiscussie. Mark van Oosterhout, wethouder in Drimmelen en voorzitter van het experimentenprogramma, nam hierin de aftrap door het belang van de transformatie na de transitie te benadrukken. De transitie werd ingegeven door de overheid, de transformatie naar een participatiesamenleving waarin mensen meer zelf regelen en voor elkaar overhebben, moet uit die samenleving zelf komen, stelde bij. Marian Janse-Witte, wethouder in Oosterhout, beaamde dit: ‘We zullen moeten blijven bijstellen om te bepalen of we wel echt doen wat de cliënt nodig heeft.’

Kees van der Burg, directeur-generaal langdurige zorg bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), benadrukte dat het mooie van de Wmo 2015 is dat die veel ruimte laat om er op gemeenteniveau eigen invulling aan te geven. Maar dat vond Jantine Kriens, voorzitter Vereniging Nederlandse Gemeenten, te kort door de bocht. ‘Er zijn meer wetten waarmee we als gemeenten rekening moeten houden’, zei ze. ‘Gemeenten moeten publieke verantwoording afleggen, en daarbij moeten we voorkomen dat alles wat we doen via Den Haag toch weer vanuit de achterkant wordt dichtgeregeld.’

Paneldiscussie West Brabant

Vertrouwen op de professionals moet centraal staan, stelde Van Mansum. Maar ook hier plaatste Kriens een kanttekening bij: ‘We willen juist niet alles bij de professionals laten. Mensen moeten meer zelf gaan doen.’

Toch is het wettelijk kader een onontkoombaar gegeven, waarschuwde ook Daan Rooijmans van zorgverzekeraar CZ. En dat kan tot zeer ongewenste situaties leiden, memoreerde Cock Vermolen van Zorgbelang Brabant: ‘Neem het geval van ouders met een relatief kleine schuld en andere problemen, die werden opgenomen in de crisisopvang waar geen ruimte was voor hun kinderen. Het gevolg was dat de kinderen uit huis moesten worden geplaatst. Geheel volgens de regels, maar wel tegen enorme kosten en met een forse aantasting van de leefwereld van het gezin.’

Van der Burg zei dan ook: ‘Om een echte slag te maken in de administratieve lasten, zullen we echt anders naar deze materie moeten gaan kijken. Kleine stapjes zetten is daarvoor niet genoeg, dat hebben de experimenten hier in West Brabant ons wel geleerd.’

Kwaliteit in kaart brengen

Behalve dat stappen moeten worden gezet in het regelarm houden van het werk, moeten ook nog stappen worden gezet binnen de gemeenten zelf. Janse-Witte: ‘We hebben in de experimentfase geprobeerd met 18 gemeenten samen te werken. We zijn erin geslaagd om met 6 gemeenten gezamenlijk in te kopen, maar met achttien tegelijk was echt nog een brug te ver.’ Van Oosterhout zei ook te begrijpen waarom dit zo is: ‘De vraag waarmee we nog worstelen, is wat kwaliteit precies is. Pas als we dat weten, kunnen we goed samenwerken.’

Meer nadruk zal moeten komen te liggen op preventie, stelde Van Mansum. ‘Zet dus daarop in, en op het creëren van shared savings in samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars’, zei hij. Vermolen vulde hierop aan: ‘Veel mensen die in zorg komen, hebben feitelijk helemaal geen zorg nodig. We moeten dus werken aan vraagverheldering.’

Hiermee werd meteen een pijnpunt in de huidige situatie blootgelegd. Rooijmans gaf aan het belang in te zien van gezamenlijk overleg op wijkniveau tussen gemeenten en zorgverzekeraars, om de verwachtingen en mogelijkheden helder te krijgen. Maar toen hij daarbij aangaf graag te werk te willen gaan op basis van doelgroepen – dementerenden bijvoorbeeld – reageerde Kriens meteen: ‘Gemeenten willen burgers in de wijk handvatten bieden op basis waarvan zij meer dingen zelf en met elkaar kunnen regelen, en in die wijk wonen meer mensen dan alleen mensen met dementie. We zullen dus iets moeten vinden om de ambities die gemeenten hebben in lijn te brengen met de ambities van de zorgverzekeraars, en dat is a hell of a job.’

Verslag door: Frank van Wijck
Fotografie door: sumplusfoto.nl/Adriaan van Zijp

Meer weten

Dossier(s)

Tags

In voor zorg! is een programma van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en Vilans, Kenniscentrum voor langdurige zorg